Noël Slangen - Home

Columns

De Hel

Bonanza, 14 augustus 2001

Tags: Algemeen

 

‘Laat alle hoop varen, gij die hier binnengaat’ stond boven de poort gebeiteld. De columnist had nog net gezien hoe de slip van zijn jas tussen de drukpers verzeilde. Het daaropvolgende kraken van zijn botten ging verloren in de metaalkleurige klank van een drukpers die het finaal begaf, om nooit meer een blad te drukken. Die klank was hem ontgaan, want hij was al op weg naar zijn volgende verblijfplaats. De drie kwelduivels die hem aan de andere kant van de poort opwachtten, beloofden weinig goeds. Hij herkende ze meteen : Herman Van Rompuy, Karel De Gucht en Louis Tobback. ‘Dit moet voorwaar de hel zijn,’ bedacht hij.

Als geregisseerd door Jan Fabre spraken zij uit één mond : ‘Wij zijn uw gastheren en rechters. Straks dalen wij af in de 24 diepten van de hel. Maar eerst moeten wij beslissen over je straf. Begin je verdediging.’ Ze grijnsden niet, de drie kwelduivels, ze waren doodserieus.

Herman Van Rompuy zat verdiend in het midden. Waar zijn twee confraters nog de humor van hun positie inzagen, was die voor hem van een goddelijke vanzelfsprekendheid. Hij was het denken en het goede, en als er iemand rondliep die iets anders dacht, moest dat wel een slecht mens zijn. En omdat een slecht mens nooit ontzien moest worden, had deze duivel de beschikking over een indrukwekkend arsenaal kwellingen. Ooit hoopte hij een kwelling te ontdekken die zelfs hem te ver ging.

Louis Tobback dacht dan misschien enkel in biefstukken en sprak met bulderende stem een soort Oudnederlands, zijn kwellingen waren eerder vrolijk van aard. Wie ooit door een woestijn reed en plotseling een rood licht zag opdoemen, kon zich onmiddellijk voorstellen wie die kwelling bedacht had.

Bij De Gucht was het feit dat als je hem een hand zou geven, die afvroor, slechts één van de kleinere ongemakken. De gedachte dat iemand iets meer zou weten dan hijzelf was ooit wel eens in hem opgekomen, maar toen hij als zevenjarige ontdekte dat de Sint niet bestond, had hij dit snel afgezworen. Of het de uitzetting van zijn hersenen was of een doodgewone kanteling wist niemand, maar sindsdien versperden zijn hersenen zijn gehoorkanaal, waardoor hij naar niemand meer luisterde.

Geen wonder dus dat de verdediging van de columnist weinig indruk maakte op de drie. Gezamenlijk begonnen ze aan de afdaling in de hel. Tijdens zijn tocht werd de columnist belaagd, een draak die de middelmatigheid verdedigde met het argument dat het altijd zo geweest was, een onbekwame trol met een dik gat die permanent valse beschuldigingen riep, een verlopen heks die zich pers noemde omdat ze een fotokopieerapparaat bezat, enkele lafhartigen die zich verstopten achter hun schaduw die ze een mening noemden, agressieve champignons die zuur spoten… En plotseling hielden ze halt, en hij zag het toenemende leedvermaak bij de drie kwelgeesten. ‘Wij wensen je de pijnigingen van de hemel toe. Want Anciaux speelt er de luit, Verwilghen doet er de was, Stevaert verbiedt er de drank en Reginald Moreels is verantwoordelijk voor de keuken. Maar het ligt slechts in ons vermogen om de op één na zwaarste kwelling op te leggen. Gij zult schrijven zonder gelezen te worden.’ En met een demonische schaterlach bezegelden ze het lot van de columnist.