Noël Slangen - Home

Columns

Onderwijzers I

Bonanza, 18 januari 2001

 

Ik hou niet van onderwijzers. Twee specifieke typen staan mij daarbij iets te duidelijk voor de geest. Het ene type is fysiek herkenbaar aan een ringbaard, maar met snor en omgeving gladgeschoren. Dat iemand met een baard zich toch dagelijks scheert, is een gezonde reden tot wantrouwen. Maar met het tweede type heb ik nog meer moeite. Het is de hoger onderwijs-versie die voortdurend klaagt over zijn job, over de geestdodende atmosfeer en grootse plannen ontvouwt van wat hij eigenlijk liever zou doen, maar waarmee hij toch maar wacht tot na de pensionering.

Die laatste categorie verdient in het hoger onderwijs misschien 160.000 per maand, werkt 20 uur per week, geniet van vier maanden vakantie en… vraagt ons nu om opslag. Ik wil daarbij ook nog even verduidelijken dat in het onderwijs 1 uur maar 50 minuten duurt. Iemand uit het publiek – natuurlijk een leraar – roept dat ik de lesvoorbereiding vergeet. Onzin natuurlijk, na maximum twee jaar volgt een herhaling tot aan het pensioen die het aantal heruitzendingen van De Collega’s moeiteloos overtreft.

En natuurlijk hebben wij begrip voor het feit dat iemand die 8 maanden per jaar 16 uur van 50 minuten werkt soms wat tijd over heeft. De concentratie van bijberoepen, niet zelden op naam van echtgenoot of echtgenote, is bij dit corps dan ook ronduit indrukwekkend. Zonder het dure vangnet van de vaste benoeming zouden wij bewondering moeten hebben voor dit staaltje van ondernemingsgeest.

Maar pas op: het is gemakkelijker om in te breken in het Big Brother-huis dan om leerkracht in het hoger onderwijs te worden. Toeval - en geholpen toeval - spelen een grote rol bij de vaste benoemingen. In afwachting wordt er van je verwacht dat je nagenoeg gratis enkele uurtjes ergens interims gaat doen, bij voorkeur op twee locaties op 100 km van elkaar. Geen wonder dat deze tijdelijken nagenoeg onvindbaar zijn. Conclusie van de vastbenoemde koningen, op hun troon van tijdelijk zweet, is dat niemand hun job wil. En die mensen verwachten, neen éisen, drie procent opslag. Ik denk dat ik misselijk word.

Aan de andere kant is er Aline. Aline is de beste kleuterjuf die er is. Met kleuters die net de luier achter zich gelaten hebben, zet ze projecten op rond kunst, angst, paarden... Ieder jaar pakt ze uit met nieuwe projecten, ze houdt gedetailleerd bij hoe het zit met de ontwikkeling van de peuter en vergadert of telefoneert ’s avonds met de ouders over het klasverloop of over de motorische ontwikkeling van die of die kleuter. De tien minuten om mijn dochtertje af te leveren zijn voldoende om te besluiten dat ik tussen die hoeveelheid kleuters na een half uur knettergek zou worden. Dit is niet zo met Aline en haar collega’s. Zij houden van hun job en zien deze niet als een tijdverdrijf in afwachting van pensioen. Aline heeft dan nog wel het voordeel met kleine klasjes te kunnen werken. Er zijn collega’s in andere scholen die soms voor meer dan 30 kleuters staan. En dat doen die juffen allemaal voor een inkomen dat ik in onbewaakte momenten al eens op een avond met vrienden opgegeten heb in een restaurant. Dat niemand, en zeker geen vakbond, mij komt vertellen dat de Alines in dit land mààr 3% opslag verdienen.


Naschrift

Het was Bruno Wyndaele die als hoofdredacteur van het kersverse Bonanza Noël Slangen contacteerde om vaste columnist te worden. Hij schreef drie ontwerpstukken: één in vitriool gedrenkt stuk over Hugo Camps, één over hoe gebeurtenissen door kleine feiten sterk kunnen veranderen en één over leerkrachten. Er werd besloten om te starten met het stuk over de gebeurtenissen. Net voor redactiesluiting stelde men echter voor om toch het stuk over de leerkrachten te gebruiken. Intussen was er hevige sociale onrust in het onderwijs, en het stuk sloot perfect aan op de actualiteit. Niet de beste beslissing, bleek achteraf. Het was de eerste editie, en in plaats van als eerder ludieke column, zag men het als een doorwrocht standpunt. In het verhitte sociaal klimaat stortten de vakbonden zich bovendien op de column. Wat niet eens zo gek was, want wat exact was wat wij hen zelf zouden aangeraden hebben als we hun adviseurs geweest waren. Een latere aanvullende column, Leraars II, kreeg helaas nooit meer dezelfde aandacht. Eerder dan dit ongelukkige stuk weg te laten wilden wij u dit stukje geschiedenis echter niet onthouden.