Noël Slangen - Home

Columns

Venetiaanse hoogte

Bonanza, 30 juli 2001

 

Hoogbouw is uitzonderlijk in Venetië. Slechts op één plaats vind je gebouwen van wel negen verdiepingen hoog. Een stukje land dat maar via één toegang bereikbaar is. Hier ontstond het woord dat vijftig jaar geleden zich op een onfatsoenlijke manier vermenigvuldigde : getto. Al in 1516 besloten de Venetianen dat alle joden bij elkaar moesten leven op dit eilandje in de binnenstad. Bij feestdagen en 's avonds werd de enige toegangsbrug afgesloten zodat niemand er in of uit kon. Omdat zoveel joden op zo'n kleine oppervlakte moesten leven, ontstond er die zeldzame Venetiaanse hoogbouw.

Onder de Fransen werd dit uitzonderingsregime opgeheven, want voor de dictator Napoleon waren alle burgers gelijk. Maar dat zou niet lang duren, want de Oostenrijkers – uitgerekend de Oostenrijkers – voerden het terug in bij de verovering van Venetië. De naam van dit stukje land zou later een soortnaam worden : getto, een woord dat klieft als een mes. Het onrecht dat de mensheid één bevolkingsgroep kan aandoen, gaat ons bevattingsvermogen te boven. Als wij van één naoorlogse Duitser verwachten dat hij zich schaamt voor wat zijn volk heeft aangericht, moeten wij ons allemaal schamen voor wat de wereldgemeenschap dit volk heeft aangedaan.

Ik bezoek in Venetië de biënnale, een wereldvermaarde tweejaarlijkse kunsttentoonstelling, en word er geconfronteerd met portretten van de Nederlandse fotografe Rineke Dijkstra. Israëlische meisjes in gevechtsuitrusting illustreren de gemengde dienstplicht, bakvissen in kaki in een hopeloze strijd tegen acné en een ander volk met een drang naar thuis. Tijdens mijn reis lees ik Harry Mulish 'De zaak 40/61', zijn verslag van het proces van de staat Israël tegen nazi-misdadiger Adolf Eichmann. Het is een indringend verslag van de anonieme wreedheid, die men met propere handen vanachter een bureau kan ontketenen. Maar het is ook een verslag van de machteloosheid om met dit verleden af te rekenen. De tekst uit 1961 doet verslag over hoe hij een militaire parade in Israël bekijkt. Ook toen al meisjes met automatische pistolen. Nauwelijks een soldaat ziet er 'als een jood' uit, het kan ook een ander leger zijn. En hij voorspelt : "De dag zal zelfs komen dat wij ook van de joden weer mogen zeggen, dat zij iets ploertigs hebben gedaan, bijvoorbeeld een Arabisch dorp uitgemoord en platgebrand. Pas als die dag er is, zullen wij over hen spreken als over andere mensen, die goed zijn en slecht, en niet een van beide : kortom als over andere mensen. En pas dan zullen ook wijzelf geen antisemiet meer zijn, maar eveneens als andere mensen."

Thuisgekomen wikkelt de rode draad zich verder af : de berichten over gewelddaden van Israël tegen de Palestijnse politie en bevolking rollen uit radio en televisie. Op de Tempelberg leggen extreem nationalistische joden de eerste steen van een synagoge op een plaats waar twee historische moskeeën staan. De redelijkheid is zoek en het geweld meedogenloos en hard.
Een volk dat zo geleden heeft, kan zelf laten lijden. Is het echt nodig om tegen deze snelheid onze historische schuld uit te wissen ? En is het bovendien gezond ?