Columns
Excusez-moi. Wat is dat toch met dat kaakslagflamingantisme?
Tags: Politiek, Actualiteit
Toen ik twintig jaar geleden voor het eerst regelmatig in Brussel kwam, was het stuitend hoe weinig men je in het Nederlands te woord wou staan. Een verwerpelijke blik was het standaardantwoord. Intussen is er veel veranderd. Vandaag word je op de meeste plaatsen in het Nederlands geholpen, zelfs als het moeite kost. Zeker op plaatsen waar men als klant komt, zoals winkels en horeca.
In die 20 jaar heb ik er consequent en soms koppig voor gekozen om Nederlands te praten, en dat in tegenstelling tot de meeste Vlamingen die ik ken. Dat betekent al eens doorduwen, maar het werkt. Maar de laatste dagen valt me dit alsmaar moeilijker. Niet omdat de andere kant moeilijker doet, maar omdat ik zelf soms vrees aanzien te worden als een van die vendelzwaaiende scherpslijpers.
Mijn Nederlands was iets waar geen vendelzwaaierij bij kwam kijken, geen groot statement, maar een vanzelfsprekendheid. Iets simpels lijkt een strijd geworden. Er is mij iets ontstolen, namelijk mijn recht om zonder bijbedoelingen mijn taal te spreken in Brussel en Wallonië. En ik ben daar behoorlijk over ontstemd.
Ieder redelijk mens weet dat de Staat verder hervormd moet worden en wat op tafel ligt als mogelijke nieuwe bevoegdheden is eerder een vertrekpunt. Maar als men de discussie blijft voeren met het gebrek aan stijl dat de separatisten initiëren, komen we geen stap vooruit. Wat is dat toch met dat kaakslagflamingantisme?
Waarom hebben wij als Vlamingen zoveel moeite om van het underdoggevoel uit ons verleden los te komen. Vlaanderen lijkt het jongetje dat klappen kreeg van zijn vader en nu hij een vent is - die drie koppen groter is dan die vader - duikt hij nog steeds angstig weg. Vandaag en gisteren zijn niet hetzelfde.
Je zou denken dat de bevolkingsgroep die 60 procent van de bevolking telt en voor een nog groter aandeel van de welvaart zorgt als een soort grote broer met een monkelende glimlach een mentaliteit van ‘luister maar naar je grote broer’ zou aannemen. Een houding die gepaard kan gaan met zorgzaamheid, tederheid maar vooral generositeit. Maar ook met beslistheid, openheid en misschien een vleugje paternalisme. Maar niets van dit alles. Grote broer Vlaanderen begint om de haverklap te huilen dat hij altijd al minder gekregen heeft, dat zijn kleinere broertje altijd de favoriet geweest is en dat nog één kaakslag het einde van de broederrelatie inluidt.
Wanneer heeft Vlaanderen nog eens in de spiegel gekeken? Wij zijn intussen de grootste, de sterkste en de machtigste van de twee, maar als geboren underdogs willen we dat maar niet beseffen. We wentelen ons in de kaakslagen van zoveel decennia geleden. Wie het Ijzer-monument bezoekt, moet toegeven dat men in het verleden niet bepaald lief voor de Vlamingen geweest is. De Vlaamse jongens die door Franssprekende oversten de dood ingejaagd werden, de vervolging van zij die voor de Vlaamse zaak opkwamen en het verbod op Nederlands in het onderwijs zijn geen feiten waarop onze Franstalige landgenoten fier kunnen zijn. Maar dat is intussen generaties geleden. Je kunt dat onze Franstalige landgenoten van vandaag net zomin aanrekenen als dat je de hedendaagse Duitser verantwoordelijk zou mogen stellen voor de tweede wereldoorlog. Het kan toch niet zijn dat het voor de onderdrukte zwarte bevolking uit Zuid-Afrika of voor de belaagde volkeren uit voormalig Joegoslavië gemakkelijker is om een pagina om te slaan dan voor ons welvarende en numeriek meerdere Vlaanderen?
Misschien is de kern van het probleem dat nationalisten niet leven van een sterk Vlaams zelfbewustzijn. Zij gedijen beter bij een Vlaanderen van zelfbeklag en frustratie. Laten wij werk maken van dit gezonde Vlaamse zelfbewustzijn, en de attitudes en verantwoordelijkheden die daarbij horen tot de onze maken. Want alleen op die manier kan Vlaanderen de leidende rol spelen bij het oplossen van deze institutionele crisis.
Print deze pagina