Columns
Onderschat de kracht van de taal niet. De stigmatisering van ‘rechten en plichten’.
Tags: Politiek, Sociale ongelijkheid, Diversiteit
Wat dikke mensen betreft, moeten we in alle eerlijkheid durven zeggen dat zij dezelfde rechten hebben als wij allemaal, maar ook dezelfde plichten. Gentenaars moeten eveneens beseffen dat bij rechten steeds plichten horen. Om maar niet te spreken over mensen met zwart haar, want bij hen kunnen we er niet genoeg op wijzen dat een verhaal van rechten ook een verhaal van plichten is.
Wat denk u als u die onzin leest? U zal spontaan denken dat dikke mensen, Gentenaars en zwartharigen het niet zo nauw nemen met die plichten. Dat ze gulzig van ‘onze’ rechten profiteren, maar gezwind vergeten dat daar ook plichten bij horen. Dat staat er eigenlijk niet, maar je denkt het er wel bij. Nu de verkiezingen dichterbij komen, zullen heel wat partijen een gelijkaardig discours ontwikkelen over nieuwe Belgen, allochtonen, migranten, of hoe je ze ook noemt. Iedereen moet de relatie tussen rechten en plichten ondubbelzinnig erkennen. Maar de uitdrukking ‘rechten en plichten’ stigmatiseert ontzettend. Hoe meer je het over die ‘rechten en plichten’ hebt, hoe meer wij het gevoel krijgen dat die nieuwe Belgen die plichten maar niet willen begrijpen. Stigmatisering zit vaak in kleine dingen.
In het recht noemt men dat het verschil tussen ‘just’ en ‘fair’. Iets kan wel ‘juist’ zijn, maar toch niet ‘fair’. Een populair voorbeeld is de zinsnede ‘de kapitein was gisteren niet dronken’. Als die kapitein een extreme geheelonthouder is, dan is deze zin juist, want hij was gisteren niet dronken. Net zoals alle andere dagen. Maar het woordgebruik is niet ‘fair’, want je krijgt wel de indruk dat de kapitein er buiten die uitzonderlijke dag stomdronken bijloopt. Voor de uitdrukking ‘rechten en plichten’ gaat hetzelfde op; de stelling is ‘juist’, maar ze is niet ‘fair’.
Ik hoor sommigen al oreren dat dit spijkers op laag water zoeken is. Een uit de hand gelopen voorbeeld van ‘politieke correctheid’. Maar dan onderschatten ze de kracht van taal. Taal weerspiegelt in zijn details de werkelijkheid. Als de woorden ‘secretaris’ en ‘secretaresse’ verschillende beelden oproepen, zegt dat iets over de genderneutraliteit van dit woord. Wanneer een uitdrukking een gevoel van hiërarchie oproept, zonder dat dit intentioneel is, moet men die uitdrukking in vraag stellen. Woorden bezitten de kracht om een bepaalde machtsverhouding of een hiërarchie van waarden uit te drukken. Als die zegt wat men wil zeggen, is dat geen probleem. Maar in de meeste gevallen moeten wij een dissectie verrichten op het diepste van onze vooroordelen.
Mag men bijvoorbeeld seksistische grappen rondstrooien? Grappen over bevolkingsgroepen als Joden, Marokkanen of Limburgers? Het antwoord hierop hangt af van de machtsverhoudingen binnen een groep waar die grappen gemaakt worden. Als vier ondergeschikte of doorsnee mannen seksistische grappen willen maken wanneer ze met de vier meest invloedrijken van ons land aan tafel zitten, is dat geen probleem. De realiteit is echter dat die mannen op dat ogenblik geen enkele behoefte voelen om die grappen te maken. Het verschil in machtsverhouding zou hen kwetsbaar, zoniet belachelijk maken. Aangebrande humor kan dus, op een paar uitzonderingen na, probleemloos voor zover alle betrokkenen zich als gelijken zien.
Hiërarchie kan doorbroken worden door humor, maar enkel en alleen in omgekeerde richting. Humor is het wapen van de machtelozen tegen de machtigen. Nooit omgekeerd. Ook dat is een kwestie van rechten en plichten.
Print deze pagina