Noël Slangen - Home

Columns

Terug naar school. Een net mag niet bepalen wie in welke richting past.

De Morgen, 2 september 2006


“We raden Faroek aan om naar het technisch onderwijs over te stappen.” Faroek is Faroek Özgünes, nieuwslezer bij VTM, en het advies kwam van het PMS nadat hij in het vijfde middelbaar niet slaagde voor Nederlands. Vandaag wordt Faroek door de Universiteit van Leuven geprezen om zijn voortreffelijk Nederlands.

Een personeelslid van het CLB, intussen de nieuwe naam voor het PMS, kroop op de kritiek van Özgünes prompt in zijn pen en schreef dat het toch dankzij dit harde advies was dat Özgünes vandaag journalist is. Een gewaagde stelling. Kunnen we dan stellen dat heel wat Libanezen Israël dankbaar moeten zijn voor het keerpunt dat de bombardementen in hun leven teweeggebracht hebben?

Het verhaal dat Özgünes in Humo doet herinnert er ons aan dat begin dit jaar Mieke Van Hecke, de topvrouw van het katholieke onderwijs, betoogde dat een school een inschrijving van een leerling moet kunnen weigeren voor een bepaalde richting, puur omdat de school denkt dat de richting niet zo geschikt is voor de leerling. Nu mogen ouders deze ‘welgemeende adviezen’ naast zich neerleggen. Van Hecke wil ze echter afdwingbaar maken. Hoe groot is de kans dat sociale en etnische elementen gaan meespelen bij dit studiedictaat?

Ik ben van de generatie van Faroek en ik herinner me dat men er in mijn lagere school een gewoonte van maakte om een A- en B-klas te maken, puur op basis van het beroep van de ouders. Of het gebrek aan een beroep. Een klassensysteem met de paplepel. Mijn klasgenoten en ik waren zeer onder de indruk van het rapport van Frank, die zelden minder dan 90% had. Maar Frank zat bij ons in de B-klas, een deur verder dan de kinderen van bedienden, onderwijzers, dokters en de wat minder begaafde zoon van een bekend minister die zich altijd net boven de 50% wist te hijsen. Frank verliet de school vrij snel en werd onderhoudsarbeider. Voor alle duidelijkheid, die minister had waarschijnlijk gevraagd dat zijn zoon in de A-klas zat en de school waarover ik spreek was er, net zoals die van Özgünes, niet een van het katholieke maar van het gemeenschapsnet.

Scholen die gesubsidieerd worden, zoals die van het katholieke en het gemeenschapsonderwijs, zouden niemand mogen verbieden om voor een bepaalde studierichting te kiezen. In de dagelijkse realiteit betekent dit verbod immers dat men het beroepsonderwijs degradeert tot een vuilnisbak. Dat verdient het beroepsonderwijs absoluut niet. Beroepsonderwijs moet gebouwd zijn op liefde, niet op frustratie. Liefde voor vakmanschap, voor de horeca, voor techniek... Onze samenleving heeft nood aan deze vakmensen. Daarom moeten uitgerekend zij die ‘falen’ of even de weg kwijt zijn er weggehouden worden. Want het aantal ‘laatbloeiers’ neemt hand over hand toe. We geven hoog op over de kwaliteit van ons onderwijs. Maar het secundair onderwijs evolueert meer en meer naar een afvalrace, waarbij de scholen zelfs hun superioriteit argumenteren door er prat op te gaan dat er bij hen weinig leerlingen slagen. Die afvalrace is geen taak van het onderwijs, die race stelt zich onvermijdelijk in het professionele leven. Onderwijs moet helpen, coachen en stimuleren. Overwinningen zitten in de ‘hopeloze gevallen’ die het toch halen.

Als binnenkort de scholen van Mieke Van Hecke de deuren open zetten voor het schoolasiel, is het misschien wenselijk om even naar de achteruitgang te kijken waar men de eigen leerlingen door jaagt omdat men ze ongeschikt vindt voor de richting waarvoor de leerling of zijn ouders zelf kiezen.