Noël Slangen - Home

Columns

Weg met de hoofddoek, laat hem toe. Acceptatie als remedie.

De Morgen, 3 november 2007

 

Zowat vier jaar geleden zat ik samen met Karel De Gucht, toen nog partijvoorzitter, in zijn bureau aan de Melsensstraat. We spraken over de moeilijke discussie van het migrantenstemrecht. “Tja, Noël, we zijn allebei voor het migrantenstemrecht, maar in deze partij bestaat daarvoor geen draagvlak. Dan splitst die partij.” Ik corrigeerde Karel dat ik, in tegenstelling tot hem persoonlijk, tegenstander was van dat stemrecht. Ik hing de stelling van Louis Tobback aan dat wie wil meebeslissen in de duivenclub ook maar lid moet worden van die duivenclub. Het was niet omdat ik pleitte voor een snelle goedkeuring van dat migrantenstemrecht dat dat ook mijn persoonlijke overtuiging was. Mijn uitgangspunt was de strategische overweging dat je geen oorlog start die je nooit kunt winnen. Een van de redacteurs van deze krant was in die periode te weten gekomen dat ik voor Guy Verhofstadt een nota had gemaakt waarin ik de mogelijke nefaste gevolgen van een onhoudbaar verzet voor Open VLD omschreef. In een telefoongesprek met de journalist in kwestie gaf ik geen bevestiging van het bestaan van de tekst omdat de partij dan zou blokkeren. Helaas kreeg ik mijn toenmalige klant niet overtuigd.

Intussen is die partij niet langer een klant, maar de groep waar ik mij uit overtuiging bij aangesloten heb. En sinds ik mij in wat liberale geschriften verdiept heb, moet ik vaststellen dat ik in mijn verzet tegen dat migrantenstemrecht blijkbaar een slechte liberaal was. Volgens die ideologie is nationaliteit immers niet bepalend voor wat of wie een mens is. Mensen indelen op basis van geslacht, sociale klasse of nationaliteit is een vorm van tribalisme of hokjesdenken, die lijnrecht ingaat tegen het liberale principe dat ieder mens zelf kan beslissen tot welke gemeenschap hij zich bekent als hij bereid is de regels van die gemeenschap te onderschrijven. Maar nog sprekender is het principe ‘no taxatiën without representation’ of eenvoudiger ‘wie mee moet betalen moet ook dezelfde rechten krijgen.’ Er zit ongetwijfeld nog steeds iets in de argumenten waarom ik tegen het migrantenstemrecht was. Maar na de literatuur van nogal wat liberale denkers denk ik dat er meer argumenten pro zijn.

Die liberale denkers hebben mij nog geen eenduidig antwoord kunnen geven over de discussie over hoofddoeken. Het partijstandpunt zegt dat het tot de lokale autonomie behoort om te beslissen hoe men daarmee omgaat. Persoonlijk ben ik tegen het dragen van hoofddoeken. Wie een hoofddoek draagt, maakt minder kans op een job en op integratie, net zoals menen met extreme piercings of gedateerde hanenkammen. Daarnaast is het traditie in Vlaanderen dat je net zomin inzage geeft in je geloof als in je bankrekening. En bovendien zijn er gevallen waarbij meisjes hun hoofddoek niet uit vrije wil dragen. Al gebiedt de eerlijkheid om te erkennen dat dat eerder de uitzondering dan de norm is. Ideaal zou zijn als we in Vlaanderen net zo weinig hoofddoeken zouden zien als in Marrakech, Casablanca of Istanbul, waar vooral de oudere generaties hoofddoeken dragen en de meeste jonge moslima’s hedendaags gekleed lopen. Het aantal hoofddoeken en de intensiteit van de discussie zijn hier toegenomen naarmate meer Vlamingen voor extreem rechts kozen. Het lijkt wel alsof onze tegenstand de belangrijkste stimulans is om er een te dragen. Dat is niet zo verwonderlijk, want naarmate een volk meer in de verdrukking komt, cultiveert het zijn onderscheidende symbolen. Vlaanderen deed dat vijftig jaar geleden eveneens. Maar vandaag voelt niemand nog de behoefte om zelfs maar de eerste strofe van De Vlaamse leeuw  uit het hoofd te leren. Als we willen dat de hoofddoek een uitzondering wordt, moeten we hem misschien tolereren. Want acceptatie is het beste middel tegen geladenheid. Zoals pubers uitgerekend dat zullen doen wat je hen verbiedt, en het normaalst zullen omgaan met wat je accepteert.

Hoe seculier is trouwens onze Vlaamse samenleving? Ons justitieapparaat wordt gedomineerd door een spanningsveld tussen magistraten die zweren bij hun gelovige roots en daartegenover een ander contingent dat zich tot de georganiseerde vrijzinnigheid of zelfs vrijmetselarij rekent. Of kijk naar onze universiteiten, waar het beroep op geloof of het ontbreken ervan een basisrol speelt bij de machtsverdeling tussen hen die worden verondersteld vooral met kennis bezig te zijn. Is een hoofddoek dezelfde mate een bedreiging voor de scheiding tussen kerk en staat als de onzichtbare maar manifeste aanwezigheid van geloof en tegen-geloof in het DNA van onze instellingen? Ooit zal dat hokjesdenken uit onze samenleving verdwijnen, net zoals acceptatie van de hoofddoek ertoe kan leiden dat die ook verdwijnt.