Columns
Antwoord van Margot Vanderstraeten
Tags: Cultuur, Buitenland
Beste Noël,
In 1993, of was het in 1992, bezocht ik de parel aan de Adriatische kust, Dubrovnik.
Dubrovnik, de stad die als een zeepaardje tegen het zuiden van Kroatië aanhinnikt. Het jaar voordien, in december 1991, hadden de Serviërs en Montenegrijnen de stad gebombardeerd. De bevolking van het omwalde, door de Unesco als wereldpatrimonium bestempelde erfgoed moesten het dagenlang zonder water, elektriciteit en voedselbevoorrading stellen. De bombardementen zijn heftig geweest. Er vielen meerdere slachtoffers, binnen en buiten de muren. Tachtig procent van de gebouwen werd met granaten bestookt, de schade, menselijk en materieel, was groot en pijnlijk.
Maar de stad, met de mooiste hoofdstraat (de Stradun) die ik ooit gezien heb, herstelde zich. De bevolking sloeg de handen in elkaar, en ging, met de borst vooruit en de kin in de lucht, aan de slag om de eeuwenoude kern weer in zijn eer te herstellen. Ik was er juist na die restauratie, toen de nieuwe daken nog glommen, en toen de bevolking nog moest wennen aan de vrede.
Waarom ik jou dat vertel? Omdat ik tijdens dat bezoek uitgebreide gesprekken heb gevoerd met jonge gasten van een jaar of achttien. Ze hadden voor het eerst in het midden van een oorlog gezeten. Ze waren voor het eerst doelwit geweest, en hadden voor het eerst zelf wapens ter hand genomen. Ik heb hun huizen bezocht. Het ene had al een grotere granaatinslag dan het andere. Ik heb met die jongens naar video-opnames gekeken. Ze hadden de bombardementen opgenomen. De momenten van rauwe angst. Van agressie. Van aanval en verdediging. Van eigen volk en ander volk. Van pijn.
Ja. Ze hadden genoten van de spanning van de oorlog. En na de oorlog was er, dat gevoel hadden ze, voor hen niets in de plaats gekomen. Ze verveelden zich te pletter. Ze speelden voor hun plezier met kalasjnikovs; met de juiste contacten waren die wapens gemakkelijk te verkrijgen. Die jongens, van wie vooral Stjepan me bijgebleven is, waren gelukkiger in een staat van oorlog dan in een van vrede. Om maar te zeggen dat geluk een zeer betrekkelijk begrip is. Zo betrekkelijk zelfs dat het volgens mij niet echt bestaat. De een lijdt onder de banaliteit van alledag ('ik ken een Engelsman', zei Goethe, 'die zich heeft opgehangen om niet elke ochtend zijn das te hoeven strikken') en verlangt naar een catastrofe als reactie tegen de vervlakking van idealen. De ander gaat ten onder aan het be- en doorstaan van een oorlog.
En ja. Ik ben in mei van dit jaar weer enkele dagen naar Dubrovnik geweest. Ik vond de stad nog mooier dan voordien. De façades in elk geval. Want wat er achter de muren plaatsvindt, verschilt niet echt van vijftien jaar geleden. Het is niet zozeer meer de verveling die pijn doet maar wel de herinnering van die dolk in de rug. Stjepan woont er nog. Hij is getrouwd en heeft kinderen. Hij werkt. Hij bedient de honderden toeristen die in de lente- en zomermaanden naar zijn stad komen, maar die het er in de koude wintermaanden laten afweten, zodat de stad die er voor toeristen zo welvarend uitziet dan in armoede verkeert. De bewoners van Dubrovnik zijn bijzonder vriendelijk voor toeristen. Ze zijn op een of andere manier ook werkelijk gelukkig. Maar wie zijn ogen niet als een dwaze toerist alleen naar het vizier van de camera richt, ziet dat die mensen gebukt gaan onder hun herinneringen.
Beste Noël. Ik vraag me af of de aanwezigheid van pijn en verdriet een belemmering voor geluk hoeft te zijn. Ik denk van niet. Ik geloof niet zo in geluk in de zin van opgelegde euforie. Voor mij is geluk niets anders dan een poging om zo volledig mogelijk in het leven te staan. Die volledigheid omvat melancholie, cynisme, vreugde en verdriet, leven en dood, angst en durf, ziekte en gezondheid, schoonheid en lelijkheid, lichtheid en zwaarte, kitsch en authenticiteit... Die volledigheid mag van mij zelfs een naakte Hemmerechts bevatten.
Het ga je goed,
Margot
Print deze pagina